Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content
Breyell, NRW, 6 november 1904
– Overleden:Petach Tikvah, 30 maart 1986
Fritz kwam begin 1939 naar Nederland en was werkzaam als instructeur op de Hachshara in de Wieringermeer gedurende een half jaar. Daarna 3 jaar Westerbork. Vluchtte naar Amsterdam waar hij onderdook. Daarna woonde hij tot 1984 in Venlo waarna hij naar Israel emigreerde.
Direct na de rijkskristalnacht in November 1938 werd Fritz net als duizenden andere Duitse, joodse mannen opgepakt. Via de lokale gevangenis in Amern werd hij na een paar dagen in Dachau bij München geïnterneerd. Hij kwam aan op 17 november en kreeg gevangenisnummer 30010. Door kou en ontberingen werden velen ziek en hadden bevroren lichaamsdelen. Fritz, een sterke landbouwer en gewend in elk weer buiten te werken, had hiervan weinig last. Één van de mannen die bevroren handen had was de na de oorlog prominente advocaat Hans Oettinger (http://www.wollheim-memorial.de/en/henry_ormond_19011973) en Fritz behandelde de bevroren handen van hem zodat Hans de voor hem moeilijke tijd in Dachau kon overleven. Na de oorlog was de toen genoemde Henry Ormond hem hiervoor altijd dankbaar geweest.
Om uit Dachau te kunnen komen hadden zijn vrouw en één van zijn broers die in Deventer woonde een (vervalst) visum van de Dominicaanse Republiek weten te bemachtigen. Op 16 februari 1939, na precies 3 maanden kwam Fritz vrij op voorwaarde dat hij onmiddellijk Duitsland zou verlaten.
Fritz week uit naar Nederland om voor zijn vrouw Ilse (http://www.communityjoodsmonument.nl/person/228153/nl) en 2 jarig zoontje Werner (http://www.communityjoodsmonument.nl/person/228155/nl), die nog steeds op de hoeve met zijn moeder in Nettetal, Duitsland woonden, de oversteek naar Amerika voor te bereiden waarheen zijn 2 andere broers reeds gevlucht waren.
Ondertussen had de gemeente Fritz laten opkomen voor de kosten voor het opruimen van het puin dat overgebleven was van de in de kristalnacht verwoeste synagoge. Het grondstuk was namelijk door zijn vader in 1910 ter beschikking gesteld om de synagoge hierop te bouwen. Aangezien de familie na 6 jaar nazi achtervolging en emigratie van 2 zonen geen geld meer had (de vader van Fritz was reeds 1931 gestorven), moest de familie het grondstuk aan de gemeente afgeven als kostendelging van het puin opruimen.
Hij maakte kennis met Abel Herzberg, die hem als instructeur en leraar in de landbouw aannam op de hachschara boerderij in de Wieringermeer polder. Herzberg beloofde ook behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van de nodige transit vergunningen voor zijn gezin. Dat heeft niet mogen helpen en Fritz heeft sinds eind 1938 zijn gezin (vrouw, zoontje, moeder en schoonmoeder) nooit meer gezien. Zijn vrouw, schoonmoeder en zoontje zijn eind 1941 op transport naar Riga gezet en daar spoorloos verdwenen oftewel vermoord zijn. Fritz' moeder, Bernhardine (Babette) Klaber-Lichtenfeld, is juli 1942 naar Theresienstad gedeporteerd met het "bejaarden transport" en daar op 13 maart 1944 aan de ontberingen gestorven.
Na de Duitse inval en overname van het kamp door de Duitsers werd Fritz oktober 1940 in Westerbork geïnterneerd en kreeg na enige tijd de positie van persoonlijke tuinman van commandant Gemmeke. Het ondergrondse verzet in het kamp nam contact op met Fritz via zijn vriend Werner Sterzenbach. Fritz was direct bereid om mee te helpen mensen uit het kamp te smokkelen die de volgende dagen op transport stonden. Fritz had namelijk van Gemmeke toestemming met zijn kruiwagen het kamp te mogen verlaten om compost, bloemen en andere tuinbenodigdheden te halen van buiten het kamp. Bij het verlaten van het kamp werd dan de persoon onder jute zakken gestopt en zo door Fritz het kamp uit gesmokkeld. Buiten het kamp werd de persoon dan door anderen naar een veilig onderduikadres gebracht. Zelfs vele jaren na de oorlog probeerden mensen in America contact met hem op te nemen om hem te bedanken, maar zochten zijn jongere broer Max op die in New York woonde.
Toen in november 1943 Fritz zelf ook op transport zou gezet worden werd hij door de ondergrondse in het kamp hierover ingelicht en Fritz ontvluchtte als een van de weinigen het kamp en dook onder in Amsterdam (Noord of West?) tot aan de bevrijding.
Door zijn grote postuur en de Duitse taal als moedertaal met Neder-Rijns accent beheersend (hetzelfe accent dat Goebbels had die bij hem uit de buurt kwam), ging Fritz vaak de straat op om op de zwarte markt eten en brandstof in te ruilen voor landbouwproducten die hij bij de boer rond Zaandam had gekocht. Niemand kwam hem te na of verzocht zijn papieren in te zien. Velen dachten een SS of SD officier in civiel voor zich te hebben en Fritz versterkte deze indruk nog door met hoge, leren laarzen en leren jas rond te lopen. Voor het geval dat hij toch gecontroleerd zou worden had hij van de ondergrondse een hoogwaardig vervalst ID gekregen.
In de hongerwinter 1944 werden vele bomen in Amsterdam geveld maar de stronken bleken moeilijk op te graven te zijn door de bevroren grond . Fritz ging daarom 's nachts met een ijzeren staaf de straat op om de keien los te peuteren en dan de boomwortels op te graven. Dit hout wisselde Fritz dan op de zwarte markt in voor voedsel voor zijn onderduikouders en zichzelf.
Na de bevrijding probeerde hij in Nederland zijn beroep als veehandelaar weer uit te oefenen, maar zijn sterk Duits accent maakte dit onmogelijk. Haast iedereen dacht met een Duitse nazi te maken te hebben die vergeten was naar Duitsland terug te gaan. Een vriend van hem, Jo Leefsma, gaf hem een job als knopenverkoper en dit hield zijn hoofd boven water.
Na enkele jaren kon Fritz zijn veehouderij in Duitsland terugkrijgen die de nazi's hem hadden ontnomen en begon hij zijn veehandel weer in het dorp waar hij geboren was en als enige Joodse terug gekomen veehandelaar.
Intussen was hij in Amsterdam in 1949 met Charlotte Pollack-Reinhaus getrouwd, de weduwe van Robert Pollack (http://www.communityjoodsmonument.nl/person/146470/nl).
Nadat hun zoontje Jack Marcel in Amsterdam in 1950 werd geboren, zijn Fritz, Charlotte en Jack naar Venlo verhuisd zodat Fritz elke dag op en neer naar zijn veehouderij ( 8 km. van Venlo verwijderd) kon rijden.
In 1975 verkocht hij zijn veehandel aan zijn assistent Heinz Tegelbeckers die tot heden met zijn familie op de hoeve woont.
Tot 1984 was hij actief als veehandelaar waarna hij naar Israel emigreerde om bij zoon en zijn familie te wonen.
1986 stierf Fritz, 81 jaar oud, aan de gevolgen van een zeldzame huidkanker in het Beilinson ziekenhuis in Petach Tikva.